Paulus van Hemert
| Paulus van Hemert | ||||
|---|---|---|---|---|
| Persoonsgegevens | ||||
| Geboren | Amsterdam, 27 november 1756 | |||
| Overleden | Den Haag, 2 oktober 1825 | |||
| Land | ||||
| Beroep | Predikant | |||
| Oriënterende gegevens | ||||
| Stroming | Kantianisme | |||
| Beïnvloed door | Immanuel Kant | |||
| Partij | Patriotten | |||
| Levensbeschouwing | Remonstranten | |||
| ||||
Paulus van Hemert (Amsterdam, 27 november 1756 – Den Haag, 2 oktober 1825) was een Nederlandse predikant en theoloog. Hij was in Nederland een belangrijke pleitbezorger van de ideeën van Immanuel Kant.
Biografie
[bewerken | brontekst bewerken]Paulus van Hemert bezocht het Athenaeum Illustre en studeerde vervolgens aan de universiteiten ven Leiden en Utrecht. In 1780 kreeg hij een betrekking als adjunct-predikant in Baarn en Eembrugge. Hij weigerde vervolgens een roeping om te komen werken in Wijk bij Duurstede, maar nadat er een tweede keer een beroep op hem werd gedaan aanvaardde hij toch de post. Tijdens zijn periode in Wijk bij Duurstede raakte hij vervreemd van de leerstellingen van de Gereformeerde Kerk, met name de menselijke verdorvenheid en de predestinatie. Op 27 augustus 1784 trad Van Hemert uit het ambt en zette zijn motieven voor zijn stap uiteen De rede en haar gezag in den Godsdienst.[1]
Van Hemert vestigde zich vervolgens in Rotterdam waar hij zich aansloot bij de Remonstranten. Hij verbleef ook enige korte tijd in Brussel en woonde vanaf 1789 in Amsterdam. Hier ging hij theologie en Hebreeuws doceren aan het Remonstrants Seminarium. Na het vertrek van Daniël Wyttenbach naar Leiden volgde hij hem op als hoogleraar in de wijsbegeerte. In deze periode wierp hij zich ook op als pleitbezorger van de ideeën van Immanuel Kant, waar hij een paar publicaties aan wijdde. Van Hemert was niet de eerste die aandacht had voor de ideeën van Kant in Nederland, maar hij gaf er wel grote bekendheid aan.[1]
In 1796 nam hij ontslag als hoogleraar aan het Seminarium en vestigde zich op het landgoed Reckenburg bij Emmerik, wegens de gezondheid van zijn vrouw. Twee jaar later keerde hij terug naar Amsterdam en wijdde zich nu geheel aan de studie van Kant.[1] Vanaf 1799 gaf hij een speciaal tijdschrift uit dat gewijd was aan de filosofie van Kant, het Magazyn voor de critische wijsgeerte. Dit blad zou tot 1803 verschijnen.[2] Van Hemert raakte vervolgens in conflict met Wyttenbach, die van mening was dat de filosofie van Kant al verouderd was toen Van Hemert deze ging propageren in Nederland. Deze twist zou pas tot een einde komen in 1814 toen Van Hemert Strena ad Danielem Wyttenbach.[1] In 1804 kwam er een nieuw Kantiaans tijdschrift onder redactie van Hemert, Lektuur bij het ontbijt en de thétafel. Dit tijdschrift zou tot 1808 verschijnen.[3] In dat jaar werd Van Hemert ook lid van het nieuw opgerichte Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten.[4] Van Hemert werd in 1818 bezoldigd secretaris van de Maatschappij van Weldadigheid.[1]
Denkbeelden
[bewerken | brontekst bewerken]Volgens Van Hemert kon men door middel van de filosofie van Kant waarlijk verlicht worden en zouden "licht, en wetenschap, maar, vooral ook ware deugd, en zedenlijkheid [...] onder het bataafsche volk" worden bevorderd.[5] Daarnaast baande de filosofie van Kant binnen de theologie de weg vrij voor een redelijk geloof en dat deze het christendom kon beveiligen tegen aanvallen en het hoofd kon bieden tegen materialisme en fatalisme. Ook kon de christelijke zedenleer het een en ander leren van het Kantianisme.[1]
- 1 2 3 4 5 6 "Paulus van Hemert" in: Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme.
- ↑ Marleen de Vries, 'De geboorte van de moderne intellectueel: Literatuur en politiek rond 1800', in: Frans Grijzenhout, Niek van Sas en Wyger Velema (red.), Het Bataafse experiment: Politiek en cultuur rond 1800 (Nijmegen 2013) 257.
- ↑ De Vries, 'De geboorte van de moderne intellectueel', 272.
- ↑ Paulus van Hemert. Digitaal Wetenschapshistorisch Centrum (2 december 2021). Geraadpleegd op 3 april 2026.
- ↑ De Vries, 'De geboorte van de moderne intellectueel', 257-258.